Mondiale aanpak

Het Klimaatverdrag van de Verenigde Naties heeft als doel om de concentraties van broeikasgassen in de atmosfeer te stabiliseren op een niveau waarbij een gevaarlijke menselijke beïnvloeding van het klimaat wordt vermeden. Dit betekent dat op termijn (in 2100) de mondiale emissies van broeikasgassen met circa 40-50% moeten dalen ten opzichte van 1990.
In 1997 is het Klimaatverdrag uitgebreid met het Kyoto-protocol. In het Kyoto-protocol zijn afspraken gemaakt over de reductie van de emissies van broeikasgassen. Het doel is het bereiken van een gemiddelde emissiereductie van broeikasgassen van de geïndustrialiseerde landen met 5,2% over de periode 2008-2012 ten opzicht van 1990. Voor de EU als geheel is de reductiedoelstelling 8%, en voor Nederland 6%. Het Kyoto-protocol kan worden gezien als een eerste bescheiden stap om stabilisatie van broeikasgasconcentraties te bereiken. Eind 2009 wordt in Copenhagen onderhandeld over een mogelijk vervolg op het Kyoto Protocol. (1)

Europese doelstellingen voor broeikasgasemissiereductie, energiebesparing en hernieuwbare energie voor 2020
Met het oog op de lange termijn en de mondiale klimaatonderhandelingen over de periode na 2012, heeft de Europese Raad al in 2007 een langetermijnklimaatdoelstelling aangenomen, waarbij de EU er naar streeft om de gemiddelde mondiale temperatuurstijging te beperken tot 2 oC ten opzichte van het pre-industriële niveau (EC, 2007). Om invulling te geven aan deze doelstelling heeft de Europese Raad in 2007 besloten om in 2020 een reductie van minstens 20% ten opzichte van 1990 te realiseren (EU, 2007). De bijdrage aan een wereldwijde en brede (post-Kyoto) klimaatovereenkomst van de EU zal 30% bedragen, op voorwaarde dat andere ontwikkelde landen zich aan vergelijkbare emissiereducties verbinden, en economisch meer gevorderde ontwikkelingslanden een bijdrage leveren die in verhouding staat tot hun verantwoordelijkheden en capaciteiten. Daarnaast heeft de Europese Raad met het oog op broeikasgasemissiereductie en energiezekerheid voor 2020 doelen geformuleerd voor energiebesparing (20% ten opzichte van het geraamde gebruik in 2020), hernieuwbare energie (20% van het finale gebruik van de EU in 2020) en biobrandstoffen (minimaal 10% van het totale brandstofgebruik in 2020).

Europese Commissie heeft een omvangrijk klimaat- en energiepakket voorgesteld
Om de in 2007 door de Europese Raad vastgestelde doelen voor 2020 van de EU te realiseren heeft de Europese Commissie in januari 2008 een omvangrijk pakket van energie- en klimaatmaatregelen voorgesteld (EC, 2008). Het pakket omvat richtlijnen voor een aanpassing van het Europese emissiehandelssysteem (ETS), voor hernieuwbare energie en voor CO2-afvang en -opslag (CCS). Het bevat tevens een besluit over de verdeling over lidstaten van emissiereductietaakstellingen voor de sectoren die niet onder het ETS-systeem vallen (niet-ETS-sectoren). De EU krijgt een grotere rol in de uitvoering van het nationale klimaatbeleid van lidstaten wanneer deze voorstellen worden aangenomen. De Europese Raad beoogt om, in nauwe samenwerking met het Europese Parlement, nog in 2008 tot een akkoord over deze voorstellen te komen, zodat deze uiterlijk begin 2009 kunnen worden aangenomen (EU, 2008).

Nederlandse doelstellingen voor broeikasgasemissiereductie, energiebesparing en hernieuwbare energie voor 2020
Ook het Nederlandse Kabinet heeft in het coalitieakkoord klimaat- en energiedoelen voor 2020 afgesproken. De overheid heeft tot doel om de totale Nederlandse emissie van broeikasgassen met 30% ten opzichte van 1990 te reduceren, bij voorkeur in Europees verband. Anders dan de Europese Raad maakt Nederland niet het voorbehoud dat andere ontwikkelde landen een gelijke reductie-inspanning moeten nastreven. Een reductiedoelstelling van 30% komt overeen met een emissieplafond van circa 150 miljard kg CO2-equivalenten in het jaar 2020 (VROM, 2007a). Net als in de Kyoto-periode mogen eventuele overschrijdingen van dat niveau worden gecompenseerd door de aankoop van buitenlandse emissierechten.
 
De inzet van het werkprogramma Schoon en Zuinig uit 2007 is dat de sectoren die onder het Europese CO2-emissiehandelssysteem vallen (de ETS-sectoren) en de sectoren die daar niet onder vallen (de niet-ETS-sectoren) beide een evenredige bijdrage leveren aan de nationale doelstelling (VROM, 2007b). Dat wil zeggen, beoogd wordt dat beide sectoren in 2020 een reductie van 30% realiseren ten opzichte van 1990. De Nederlandse overheid heeft daarnaast doelen vastgesteld voor energiebesparing en hernieuwbare energie. Het energiebesparingstempo zou moeten oplopen tot 2% per jaar in 2020, en het aandeel hernieuwbare energie zou in 2020 20% moeten bedragen, betrokken op het primaire energiegebruik. De beleidsinstrumenten die het kabinet wil inzetten om de nationale doelstellingen voor emissiereductie, hernieuwbare energie en energiebesparing voor 2020 te realiseren, zijn beschreven in het werkprogramma Schoon en Zuinig. (2)

 

Bronnen:
(1) Compendium voor de leefomgeving
(2) Compendium voor de leefomgeving